Frank Van der Stucken en Edvard Grieg
Frank Van der Stucken (1858-1929) werd geboren te Frederickburg, Texas. In 1865 keerde Frank met zijn familie terug naar Antwerpen, de geboortestad van zijn vader. Hij ging er studeren aan de Vlaamsche Muziekschool bij Peter Benoit. In 1878 besloot hij dat het tijd werd om zijn vleugels uit te slaan: met de uitgave van zijn eerste liedbundel Jünglingsliebe onder de arm, trok hij op het einde van de zomer naar Leipzig, waar hij Edvard Grieg (1843-1907) leerde kennen.
“When I First came to Leipsic, in 1878, my whole musical luggage consisted of a set of songs published that year. As a stranger in a strange country, my only desire to get some recognition was to send complimentary copies to the musical periodicals and to the prominent musicians who lived in Leipsic at that time. One morning, after breakfast, I was sitting in my lonesome den in the Poststrasse at work on a new song, when a rap at the door announced my first visitor; and presently a little gentleman, with flowing blonde locks, with friendly and bright blue eyes, walked towards me and introduced himself as the Norwegian composer Grieg, who wanted to make the acquaintance of the young musician, whose first compositions he had received and read with great interest. Ever since that hour our friendship was sealed, and scarecely a day passed during Grieg’s stay in Leipsic that we were not found together, either at dinner, supper, or some musical or dramatic performance.” (H.T. Finck, Edvard Grieg (Living masters of music), Londen, 1906, p. 51-52)
In februari 1879 scheidden hun wegen weer, maar de twee vrienden hielden contact per brief. Een aantal van de brieven van Van der Stucken aan Grieg worden bewaard in de Grieg-collectie van de Openbare Bibliotheek van Bergen (Noorwegen). Daarin deelt Van der Stucken mee wat hij recent heeft gecomponeerd, hoe hij op zoek is naar een betrekking als dirigent, bespreekt hij liederen van Grieg die hij recent heeft leren kennen, … In deze periode (voorjaar 1879) componeert Van der Stuckens cyclus Blumen naar Heinrich Heine (opus 4), en besluit hij al zijn nog niet uitgegeven liederen die hij componeerde sinds 1877 te bundelen als Neun Gesänge, opus 5, en aan zijn vriend Grieg op te dragen.
In de zomer van 1883 brachten Grieg en Van der Stucken opnieuw samen enkele maanden samen door in Rudolstadt. Van der Stucken gaf Grieg, die naar Parijs wou doorreizen, Franse les, en vertaalde zes van zijn populairste liederen naar het Frans, voor uitgave bij Peters te Leipzig. Voor het bekende Jeg elsker dig schreef hij een tweede strofe, zowel in het Duits (Ich liebe dich) als in het Frans (Je t’aime).
“It was a most delightful period in our lives. He [Grieg] lived in a very ‘gemütliches’ out-of-town hotel, while I rented a modest villa belonging to the same concern for my small family. In the morning we worked separately at our own affairs, and in the afternoon I ordinarily met him in the Morla Graben, a beautiful vale near by. (…) Out French lessons never lasted very long, for they invariably passed into musical discussions.” (H.T. Finck, op. cit., p. 54)
Dankzij Grieg kwam de carrière van Van der Stucken in deze periode in een hogere versnelling terecht. Grieg schreef in september 1883 een lovende recensie over zijn eerste vier liedbundels voor het Musikalische Wochenblatt en stelde hem tevens voor aan Franz Liszt. Met diens steun mocht Van der Stucken op 3 november 1883 in het Weimarer Hoftheater een volledig concert met eigen werk brengen. Grieg keerde speciaal terug naar Weimar tijdens een concerttournee om het concert te kunnen horen. Het concert leverde Van der Stucken de nodige reputatie op, zodat hij enkele maanden later als vaste dirigent van de Arion Society te New York aan de slag kon gaan. Grieg en Van der Stucken zagen elkaar nooit meer weer, hoewel ze in 1899 nog plannen daartoe smeedden, en hun correspondentie doofde langzaam maar zeker uit.
Na de vroege liederen uit Antwerpen en Leipzig, liet Van der Stucken de liedcomposities voor lange tijd links liggen. In de jaren 1880 te New York verschijnen enkel enkele losse liederen. Het overlijden van Helena Stallo, die hij kende vanuit Leipzig, in december 1891 te New York, zette hem aan terug een liedcyclus te componeren (opus 16). In 1892-1893 schreef hij daarnaast ook zijn opus 17 en 21, respectievelijk zijn mooiste en zijn beroemdste bundel liederen.
De Amerikaanse criticus Rupert Hughes schreef in 1900 over zijn opus 16 en 17: “They are written in the best modern Lied style, and are quite unhacknyed. It is always the unexpected that happens, though this unexpected thing almost always proves to be a right thing. Without any sense of strain of bombast he reaches superb climaxes; without eccentricity he is individual; and his songs are truly interpreters of the words the express” (R. Hughes, Famous American composers, Boston, 1900, p. 193)
In 1895 verhuisde Van der Stucken van New York naar Cincinnati, waar hij de eerste vaste dirigent van het nieuwe Cincinnati Symphony Orchestra werd. Daarnaast gaf hij les aan het plaatselijke College of Music, waardoor hij nog weinig tijd had om te componeren. Hij nam er ontslag in 1903 en componeerde vervolgens op een jaar tijd nog zes liedbundels. De kwaliteit van deze liederen is niet even hoog als zijn liederen uit New York. Vermeldenswaard is zijn Tragödie, opus 30, waarin hij drie Heine gedichten tot één lied verwerkt.
Meer info: Jan Dewilde, Frank Valentin Vanderstucken, in Musica Antiqua, jg. 17 nrs. 2-3, p. 64-69, 117-125.